Vandaag is het precies 30 jaar geleden dat op de voormalige Walt Disney World Speedway in Florida de allereerste race van de Indy Racing League plaatsvond. Deze Amerikaanse eenzittersklasse ontstond na de grote splitsing in de wereld van de IndyCar.
Foto’s: IndyCar
De oorsprong van “The Split” gaat tot 1979 terug. Tot dan werden IndyCar-wedstrijden, waaronder de Indy 500, door de autosportbond USAC georganiseerd. De teams waren echter ontevreden over de inkomsten en de manier waarop het kampioenschap werd gepromoot. Wedstrijden werden nauwelijks live uitgezonden en sponsoren speelden voor USAC een minder grote rol. Daarom richtten de teameigenaren, onder leiding van Roger Penske, de CART-organisatie op. CART nam voortaan de organisatie van het kampioenschap over, met uitzondering van de Indy 500, die in handen van USAC bleef.
De glorieperiode van CART

Eind jaren tachtig en begin jaren negentig beleefde CART zijn hoogdagen. In 1989 werd Emerson Fittipaldi de eerste niet-Amerikaan die de titel pakte, waarna steeds meer Zuid-Amerikaanse en Europese rijders de overstap maakten. Ook Nigel Mansell volgde dat voorbeeld. Na zijn wereldtitel in de F1 in 1992 debuteerde hij een jaar later in CART en won hij meteen het kampioenschap met Newman-Haas Racing. Ook commercieel zat CART in de lift, met nieuwe sponsoren en constructeurs zoals Reynard en Lola. Toch rommelde het achter de schermen. Grote teams, met Penske op kop, hadden veel invloed op de regels. Roger Penske speelde een sleutelrol binnen de CART-organisatie en beschikte bovendien over de Ilmor-motoren, waar vooral de topteams van profiteerden. Dat leidde tot frustratie bij kleinere teams, die zich steeds minder gehoord voelden.
Tony George als spilfiguur

Tony George, de toenmalige eigenaar van de Indianapolis Motor Speedway en topman van USAC vond dat er opnieuw meer Amerikaanse rijders naar het IndyCar-kampioenschap moesten doorstromen. Dat stond haaks op de toenemende instroom van Europese en Zuid-Amerikaanse rijders. George stapte in 1994 uit het CART-bestuur en dreigde een eigen raceklasse op te richten als er niet snel iets zou veranderen. De Indy 500 van 1994 werd het dieptepunt in de gespannen verhouding tussen CART en USAC. Penske won overtuigend met zelfontwikkelde motoren en gebruikte zijn macht en middelen om de concurrentie te overvleugelen, exact wat George wilde vermijden. Anderhalve maand later kondigde hij de Indy Racing League aan: een kampioenschap met gelijke wagens, veel ovals, vooral Amerikaanse rijders en voor een fractie van het budget.
De split

In 1996 werd de “The Split” een feit. Voortaan waren er twee grote Amerikaanse eenzitterkampioenschappen: CART en de Indy Racing League (IRL). Wat volgde was een bits moddergooigevecht tussen beide reeksen, met als dieptepunt de Indy 500 van 1996. Slechts een beperkt aantal CART-teams mocht deelnemen, waarna CART besloot om op dezelfde dag een eigen 500-mijlsrace op de Michigan International Speedway te organiseren. De breuk bracht langs beide kanten reputatieschade met zich mee. De populariteit zakte weg en grote sponsoren trokken richting NASCAR. Tot 2000 bleven CART-teams weg uit de IRL en de Indy 500, tot Chip Ganassi Racing met Juan Pablo Montoya de overstap maakte. Montoya won de Indy 500 meteen als rookie.
Het einde van CART en de terugkeer naar één kampioenschap
Een jaar later volgde ook Penske, dat in 2001 de Indy 500 won met de Braziliaan Hélio Castroneves. Steeds meer teams kozen voor de IRL, waardoor CART het financieel steeds moeilijker kreeg. In 2003 ging het failliet en werd het overgenomen en herdoopt tot Champ Car, maar dat bleek slechts uitstel van executie. In 2007 trok Champ Car naar Zolder. Onze landgenoot Jan Heylen finishte als dertiende in de wedstrijd. In die periode was Sébastien Bourdais de grote naam. Hij won vier titels op rij. Begin 2008 werd Champ Car uiteindelijk door de IRL overgenomen. De Grand Prix van Long Beach 2008 werd zo de laatste race in de geschiedenis van Champ Car. Vanaf dat moment was er opnieuw één IndyCar-kampioenschap.


